Ik wil leren jassen.
Hij is jassend door het park.
Het jassende geluid was moeilijk te horen.
Ze heeft de grote vis gejast.
ik
Ik jas de groenten.
jij / je
Jij jast heel snel.
u
U jast de occassie voorzichtig.
hij
Hij jast elke zaterdag.
zij / ze
Zij jassen meestal in de herfst.
het
Het jast niet zo goed.
wij / we
Wij jassen samen elke week.
jullie
Jullie jassen beter dan ik.
Ik jaste het vorige weekend.
Jij jaste gisteren heel veel.
U jaste enkele dagen geleden.
Hij jaste zijn beste tijd.
Zij jasten in de grote speelhallen.
Wij jasten als kinderen.
Jullie jasten met ons.
Laat hij jasse dat nog niet weten.
Jas de groenten snel.
Jast de speeltuin goed!