Woordenlijst

The most common Dutch words, ranked by how often they appear in everyday language. Based on the SUBTLEX-NL corpus β€” 44 million words of Dutch film and television subtitles.

51–100 of 89581 words

Top 100 β€” the building blocks of Dutch
51hoeA1adv. β€” op welke manier
52waarA1v. β€” verleden tijd van zijn
53nuA1n. β€” het actuele moment
54neeB2interj. β€” afkeuring of ontkenning
55haarA1n. β€” naam van de Huns
56gan. β€” fysieke toestand
57'tpron. β€” derde persoon enkelvoud
58bentn. β€” essentie zijn
59uitA1v. β€” uitdrukken of vertellen
60ookA1adv. β€” ook ook
61overA2n. β€” onderwerp of topic
62doenA1n. β€” acties of dagen
63gaanA1n. β€” fysieke toestand
64komA2v. β€” bewegen naar plaats
65mijA1n. β€” versterkte dijk
66daarA2conj. β€” verbindende zin
67zouv. β€” toekomende tijd hulpwerkwoord
68bijA2n. β€” bijwoordelijke vorm
69alA1vraagteken of symbool
70ofB2conj. β€” of keuze of alternatief
71jullieA2pron. β€” jullie als persoon
72onsA2pron. β€” eerste persoon meervoud
73gaatA2n. β€” fysieke toestand
74ietsA1pron. β€” onbepaald voorwerp
75hebtn. β€” bezit of eigendom
76zalv. β€” toekomende tijd hulpwerkwoord
77waaromA1n. β€” vraagwoord
78m'nv. β€” explosieven plaatsen
79hadn. β€” bezit of eigendom
80'nn. β€” voorbeeld van een
81meerB1v. β€” vastmaken boot
82laatA1n. β€” een tijd of periode
83doen. β€” acties of dagen
84wieA1pron. β€” welke persoon
85moetenA1n. β€” moetige persoon
86dezeA1pron. β€” dit die bijvoeglijk
87allesA1n. β€” geheel van dingen
88kunnenA1n. β€” vermogen of capaciteit
89jouA1pron. β€” your (singular)
90tochA1adv. β€” desondanks
91echtA1v. β€” handeling van het echt zijn
92denkv. β€” over iets nadenken
93zienA1v. β€” iets waarnemen
94wegA1n. β€” afstand naar huis
95nouA2conj. β€” als voegwoord
96alleenA1adv. β€” zonder anderen
97nooitA1adv. β€” op geen tijd
98doorA2n. β€” opening in muur
99meeA1n. β€” gezelschap of bedrijf
100dusA1adv. β€” op deze manier