Woordenlijst

The most common Dutch words, ranked by how often they appear in everyday language. Based on the SUBTLEX-NL corpus β€” 44 million words of Dutch film and television subtitles.

101–150 of 807 words

Top 1,000 β€” conversational vocabulary
101stellenn. β€” een jonge plant
102gebruikn. β€” usage or application
103halfn. β€” 50 procent
104hoefn. β€” onderdeel van hoef
105makkelijkadj. β€” simpel of eenvoudig
106ongelukn. β€” onvoorziene gebeurtenis
107aarden. β€” aard of soort
108behalveprep. β€” naast of behalve
109goedemorgeninterj. β€” goede morgen
110spelv. β€” een tijdverdrijf
111geestn. β€” mind or thought
112slaanv. β€” iets of iemand raken
113gevaarlijkadj. β€” risico met gevolgen
114vliegenv. β€” zich voortbewegen in de lucht
115gedachtv. β€” over iets nadenken
116zolangconj. β€” als lang als
117hoteln. β€” verblijfplaats voor gasten
118slechtsadv. β€” alleen maar
119rotv. β€” doen verrotten
120schuldigadj. β€” verantwoordelijk voor iets
121zodraconj. β€” op het moment dat
122raaradj. β€” vreemd of ongewoon
123rijv. β€” verplaatsen met voertuig
124paardn. β€” groen dier met vier benen
125eindv. β€” meervoud van einde
126raadn. β€” raadgevend lichaam
127gisteravondadv. β€” de avond voor vandaag
128sleutelv. β€” werken aan iets
129wetv. β€” hanteren of toepassen
130kostv. β€” meervoud van kost
131huwelijkadj. β€” formeel gebeuren
132rijkn. β€” veel geld hebben
133dromenn. β€” fancy of fantasie
134dronkenv. β€” vocht opnemen
135herinnerenv. β€” iets terugroepen
136tekenv. β€” om iets af te beelden
137rustv. β€” tussen twee activiteiten
138nadatconj. β€” na een gebeurtenis
139kwalijkadj. β€” ongezond of slecht
140puntv. β€” meerdere locaties of streepjes
141controlen. β€” beheersing of toetsing
142volkn. β€” groep mensen
143welterusteninterj. β€” goede nacht wensen
144zustern. β€” zorgende vrouw
145respectn. β€” waardering voor iemand
Top 5,000 β€” well-rounded vocabulary
146kalmadj. β€” rustig en ontspannen
147helaasinterj. β€” uitroep van teleurstelling
148uitleggenv. β€” verklaring geven
149delenv. β€” uit elkaar halen
150gebouwn. β€” gebouwd object